VERBOD OP SCHAALVERGROTING ONVERSTANDIG
Al decennialang is er sprake van een geleidelijke schaalvergroting in de veehouderij. De laatste jaren zien we echter steeds meer initiatieven om te komen tot een echte schaalsprong. Een megabedrijf met tienduizenden varkens en een miljoen of meer kippen, al dan niet in combinatie met het telen van tomaten of komkommers, de productie van biogas en de verwerking van afvalstromen uit de voedingsindustrie, zoals aardappelschillen, bierbostel en producten over de datum. Een gemengd bedrijf op grote schaal, waardoor niet alleen de kosten worden verlaagd, maar ook de milieu-effecten verminderen omdat biologische kringlopen worden gesloten.
De plannen voor een schaalsprong in de veehouderij roepen nogal wat verzet op. Sommige provincies zoals Groningen hebben al laten weten dat ‘megabedrijven’ niet welkom zijn. Andere provincies (Gelderland, Overijssel) scherpen de regels aan en in de provincie met de hoogste veedichtheid Noord-Brabant buigen Provinciale Staten zich binnenkort over het burgerinitiatief ‘Megastallen Nee’, een naam die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. De Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO) heeft onlangs laten weten evenmin iets te voelen voor megabedrijven en pleit voor ‘eigenschaligheid’.
Ondanks de bezwaren is de een doorgaande ontwikkeling van de landbouw noodzakelijk vanwege de groei van vooral de stedelijke bevolking. Metropolen kunnen voor hooguit vijf procent in hun eigen voedsel voorzien. De rest moet van elders komen; liefst niet te ver weg vanwege de transportkosten en het risico van bederf. Volgens de FAO zal bovendien de mondiale vleesproductie de komende decennia ruimschoots verdubbelen om aan de stijgende vraag te kunnen voldoen. Als we nog iets van natuur en landschap willen overhouden én in de toekomst negen miljard mensen van voedsel willen voorzien, is intensivering onvermijdelijk. Met zijn agronomische en technische kennis kan Nederland een voortrekkersrol spelen in de ontwikkeling van nieuwe vormen van intensieve veehouderij, zoals ons land ook wereldwijd voorop loopt in de glastuinbouw.
De bezwaren tegen megabedrijven snijden niet allemaal even veel hout. Zo beweren de tegenstanders, geholpen door de Q-koorts, dat het risico van overdracht van ziekten van dier op mens groter wordt door schaalvergroting, omdat dieren eerder ziek worden is als ze met heel velen dicht op elkaar zitten. Dat is nog maar de vraag. Om te beginnen zitten de dieren niet dichter op elkaar; alleen het aantal afdelingen is groter, al dan niet boven op elkaar. Daarnaast hebben grote bedrijven meer mogelijkheden om te investeren in luchtwassers en andere voorzieningen om te voorkomen dat ziektekiemen de stal verlaten.
Het meest gehoorde bezwaar tegen verdere opschaling van de veehouderij is de aantasting van het dierenwelzijn. Dat argument heeft echter weinig te maken met schaalvergroting als zodanig. Het is heel goed mogelijk om comfortabele verblijven te bouwen – zelfs met uitloop op het balkon – in gebouwen van vijf en meer verdiepingen. Voor mensen doen we niet anders. Het argument van dierenwelzijn heeft waarschijnlijk meer te maken met het feit dat veel Nederlanders zich wat ongemakkelijk te voelen bij een grootschalige en sterk geïndustrialiseerde vorm van dierhouderij. Niet vanuit een romantisch verlangen naar de landbouw uit de tijd van Ot en Sien toen kippen op de mestvaalt struinden en varkens in de modder rolden. Maar veeleer omdat we niet meer zo goed weten hoe we onze houding tegenover productiedieren moeten bepalen.
In de tijd van Ot en Sien was het simpel. Bij feestelijke gelegenheden werd een kip de nek omgedraaid en in november werd het varken geslacht op het plaatsje achter het huis. Voor iedereen, van klein tot groot, was het duidelijk dat je een dier moet doden als je vlees wilt eten. In onze tijd is dat besef verdrongen; mentaal hebben we de koe in de wei en de biefstuk op het bord, ontkoppeld. Aan de ene kant vinden we dat productiedieren als varkens, kippen en koeien geen potloden zijn. Ze hebben – zo zegt ook de wet – een intrinsieke waarde die uitstijgt boven de gebruikswaarde. Aan de andere kant zien we vlees bij voorkeur als een product, dat we tamelijk gedachteloos samen met de rijst, de deodorant en het toiletpapier in het winkelwagentje leggen.
De enige manier om daarmee om te gaan is om onder ogen te zien dat je dieren moet doden en slachten als je vlees wil eten. De sector kan daarbij behulpzaam zijn door in alle eerlijkheid te laten zien (via skybox en webcam) hoe de dieren worden gehouden én hoe ze worden gedood en geslacht. Merknamen, al dan niet gesteund door een keurmerk, moeten het de burger als consument gemakkelijker maken om zijn waarde-oordeel ook in supermarkt en slagerij te laten gelden. Als het maar duidelijk is dat je als burger (mede-)verantwoordelijkheid bent voor het houden, doden en slachten van dieren. Die verantwoordelijkheid kun je niet afschuiven op de veehouder, de supermarkt of de overheid.
Een bezwaar tegen schaalvergroting dat wij delen, is de invloed ervan op de omgeving. De omvang met soms drie tot zes hectaren bebouwd oppervlak is moeilijk in te passen in de kleinschalige landschappen van bijvoorbeeld Oost-Nederland. Het is te makkelijk om dat af te doen als het NIMBY-syndroom (‘not in my backyard’). Voor de bewoners van het platteland en de kleine kernen is het landschap geen decor voor recreatieve activiteiten, maar een thuis en daarmee een deel van hun identiteit. Het raakt hen diep als ze hun vertrouwde landschap zien veranderen in een steriele verzameling blokkendozen, die gedeeltelijk aan het zicht wordt onttrokken door wat ‘schaamgroen’.
Daarom pleiten wij voor nieuwe vormen van geïntegreerde landbouw waarbij planten en dieren samen voor een kringloop kunnen zorgen. Als dat kleinschalig kan, dan is plaatsing in het bestaande agrarische gebied te overwegen. Als dat vanwege eisen aan omvang en efficiëntie meer grootschalig moet worden opgezet, vestig deze nieuwe bedrijven dan op speciaal ingerichte agrarische bedrijventerreinen of op de Tweede Maasvlakte. Ruim tien jaar geleden heeft de toenmalige Nationale Raad voor het Landbouwkundig Onderzoek dat idee al eens gelanceerd, maar door daar het label ‘varkensflat’ aan te koppelen, zijn nog steeds niet van de grond gekomen. De discussie over megastallen en het verzet dat ze oproepen, lijkt ons een goede aanleiding om het concept nieuw leven in te blazen. Het zou buitengewoon onverstandig zijn om door een verbod op megastallen de volgens ons noodzakelijke verdere ontwikkeling en integratie van de veehouderij met oneigenlijke argumenten af te wijzen.



